De herontdekking van toeval

Dankzij Corona komen we er nu achter dat “werk” niet zo simpel is, als we altijd geloofden. Dat leek het eerst wel te zijn: okay, ik kan niet naar mijn werk komen, dus spreken we af via videocalls. En zo werd het allemaal opgelost.

De onbewuste facetten van werk

Maar toch niet helemaal: we komen erachter hoeveel we meer bewogen, zonder dat we er erg in hadden. En hoe rijk communicatie was, als je elkaar in levende lijve ziet: blijkbaar was het dan toch waar – dat meer dan 80% van de communciatie niet-verbaal is.

Maar vooral, hoeveel van ons leven aan elkaar hing van toevalligheden:
je kwam mensen ongepland tegen bij het koffieapparaat, je zag elkaar bij de lunch, er kwam een nieuw iemand binnen (stagiair, medewerker, freelance, externe, etc). En al die mensen hadden verhalen over de wereld. Die je verveelden, deden nadenken of inspireerden – om andere dingen te gaan doen. (of ander werk zoeken, bijvoorbeeld).

Of je ging naar een andere plek. Met andere kleuren, geuren, verhalen. Nog niet zo lang geleden klaagden we erover hoeveel marketing-berichten we kregen op een dag. (waarbij voor mij het toppunt nog steeds de promoties zijn náást/boven de pisbakken van de heren-WC’s).

Of er gebeurde iets anders onverwachts: de lift die stilstond, elektriciteit viel uit, iets ging kapot (printer, wifi, website, vul in) en op die centrale plek zag je meer dan alleen resultaten uit werk: oproepen om met elkaar te gaan hardrennen, squashen, borrelen, afscheid nemen van een collega, jubilea vieren (verjaardag, baby, huwelijk, etc).

Er bleken veel meer kanten aan mensen te zitten, die spontaan naar buiten kwamen: het gedicht voor de jubilaris, de kookkunsten van je collega, het tweede leven van de bewaker, het bedrijf-on-the-side van de receptioniste, etc, etc.

En al deze niet-geplande toevalligheden hebben een impact op ons leven – positief en niet zo positief. En dit is nu voor een groot deel weg.

Dat is aan de ene kant soms hééééééééérlijk rustig – als je iets moet uitwerken of stilte nodig hebt. Of als je een introvert bent, of een hekel hebt aan kletsende collega’s, geuren van een ander of promoties in het algemeen. Aan de andere kant verbond het ons veel meer met de rest van de maatschappij, gaf het ons inspiratie en was ons leven kleurrijker.

Toeval online organiseren

Als je daar wat aan wil doen, dan moet je er over nadenken, je gedrag en dat van anderen veranderen: op allerlei manieren het toeval terugbrengen.

Je ziet dit nu ook terugkomen in apps:
In Clubhouse luister en spreek je met een aantal onbekenden in een virtuele ruimte en behalve het onderwerp weet je niet wat je gaat horen/meemaken. (ze beschrijven het mooi: Clubhouse is “Drop-in Chat”).

Wonder.me bied je een ruimte zoals een congres of kantoor, waar je mensen kan ontmoeten rond diverse statafels. Pas als je bij een tafel staat, hoor je het gesprek en kan je er aan deelnemen. Waardoor de fysieke werkelijkheid redelijk benaderd wordt. Wonder.me

Universiteiten realiseren zich ook dat studenten meer binding nodig hebben. Dus hebben TU Delft en de Erasmus universiteit  hun campus vrijwel volledig nagebouwd in….Minecraft. (okay, dat had je kunnen verwachten van Delft, toch?). VU Amsterdam en Leiden hebben een virtuele rondgang door hun stad en campus.

Webinars zijn natuurlijk geëxplodeerd. Zo veel zelfs, dat we er al flink genoeg van hebben. Innovatie is hier dringend nodig. Er komt nu een vloedgolf aan van nieuwe producten om virtuele events leuker te maken.

Het begint

Maar zoals vaker met nieuwe dingen: het begint met bewustwording. In de offline (en ook online) wereld liggen er nu meer dan genoeg middelen om je leven weer leuker met meer toeval te maken.

We komen er wel.

Toen werk gewoon was

Vroeger – toen werk naast je huis lag

Daar werkte je, net als je vader, je moeder en de rest van de familie. O, opa en oma en tantes en ooms ook. Iedereen kende elkaar. Het was niet echt duidelijk waar werk begon en privé eindigde – of andersom. Werk was net zo’n hoeksteen van het leven als verjaardagspartijen en kerstdiners.

Later – Ging je naar je werk

Met de auto of de trein of de fiets, als je mazzel had. Je ouders waren nog nooit op je werk geweest – eigenlijk niemand van je familie. En dat was goed: kantoor en een pak was voor werk, thuisgekomen deed je andere kleren aan. Dat was duidelijk. Hoewel je wel steeds vaker ‘s avonds na het eten je laptop opensloeg.
Je kent de mensen van je afdeling, maar niet echt goed: er is meestal maar een dun wandje voor nodig om niet meer te weten wie die mensen zijn. Werk was wel belangrijk: je verdiende je geld ermee, zodat je leuke dingen kon doen na het werk.

Nu – mag je niet meer naar kantoor

Ook word je vriendelijk verzocht om je ouders (als ze nog leven) maar niet meer te bezoeken – of hooguit met één persoon tegelijk. Je maakt je daarom steeds meer zorgen over hen en belt ze vaker, schrijft ze een brief of Facetimet ze. Je kinderen weten niet meer of je er bent als privé persoon of iemand aan het werk.
Ja, werk is belangrijk – het is fijn dat je het nog hebt. Maar je hoopt dat het meer kan gaan zijn dan alleen een bron van inkomsten. Je verlangt ook weer en meer contact met je collega’s. Waarom begrijp je niet helemaal, maar alles is beter dan helemaal niemand meer zien, behalve aan de andere kant van het scherm in een van de vele, vierkante blokjes.

Straks – ben je er weer

Maar je weet niet meer hoe vaak je naar kantoor toe wil. Je gaat liever op bezoek bij je ouders, vrienden en kennissen. Je baas geeft duidelijke hints over 100% terugkeer, maar je hebt al online gesolliciteerd bij een nieuw bedrijf, dat teamuitjes en jouw plezier in je werk bijna net zo belangrijk vindt als de resultaten die je behaalt. Het vooruitzicht om bij de wekelijkse borrel met je collega’s te zijn, trekt je. Thuis heb je alle aandacht voor je gezin en familie.

Vertel wat er nu door je heen gaat

Je ziet het voor je: topsporter hijgt zijn laatste ingewanden uit zijn lijf en probeert, handen steunend op zijn knieën, de reporter een antwoord te geven op zijn vraag:”wat gaat er door je heen?”.
De woorden lijken uit het luchtledige te komen: af en toe vinden de hersens zuurstof om wat coherents uit te stoten.

Zo voelt het ook op dit moment, in Corona-tijd.

Dat is vreemd om te zeggen, nu we er nog middenin zitten. Maar al over een half jaar en later gaan we die vraag stellen: hoe was het om in die tijd te leven? En als we het onszelf niet stellen, doen anderen het voor ons: kids, vrienden, kleinkinderen.

Heb je er niet over nagedacht, dan stoot je dezelfde weinigzeggende woorden uit als de topsporter: Ja, we hebben de race gelopen. Het was, wat het was. Wíj́ hielden ons aan de regels. We zaten veel binnen en keken teveel naar schermen. We gingen niet naar onze opa’s.

Dat was het wel zo’n beetje.

Maar hoe was het nu wérkelijk? Daarom is het goed om dit nu te schrijven en nog middenin de beleving uit te drukken hoe het werkelijk is/was.

 

Bij het lezen van dit verhaal moet je je voorstellen dat je de hele tijd kiespijn hebt. Soms pijnlijk en aanwezig, dan weer bijna vergeten op de achtergond. Op dezelfde manier speelde onzekerheid een continue rol tijdens Corona. Eerst omdat we de ziekte niet kenden en alles onbekend was. Daarna wat dit voor ons ging betekenen en weer later hoe onze toekomst en die van onze kids zou zijn. Het zorgde voor lange tafelgesprekken, gefluisterde gesprekken ‘s avonds in bed en vrat energie.

 

Het begon als de spreekwoordelijke kikker in een opwarmende pan water: begin Maart 2002 werden we er collectief mee geconfronteerd. We zagen wat aankomen, we werden gewaarschuwd. Maar zo erg zou het niet zijn – het was alleen in China, zoals wel vaker. Het begon over te slaan in Azie, dat hadden we ook al eerder gezien. Onze dochter in Zuid-Korea spraken we hier veel over. Dat was dichterbij China, dus was elke nieuwe ontwikkeling reden om haar daar weg te halen. Maar toen kwam Italië en toen Nederland en jawel: in Hilversum…het virus was geland.

Nog steeds was het onzichtbaar, maar de maatregelen werden concreet: afstand houden, geen handen geven en vaak wassen. Het te groot inslaan van supermarkt-spullen begon. Geen zeep of WC-papier meer te krijgen.

Een ernstige premier die ons toesprak bekeken we met het hele gezin. Het moment voelde zwaar: een symbolische en historische toespraak. Nieuwe maatregelen zoals zoveel mogelijk thuiswerken. Maar ook: gelukkig luisterde de regering naar wetenschappers, dus we waren in goede handen.

Wetenschappers waren de onbezongen helden van deze tijd. Ze kregen flink de wind van voren, maar hielden de koers. Hoe heftig anderen hiertegen in gingen. Voorop hierbij liep natuurlijk President T, die alles ontkende en kleineerde. Gelukkig, dachten we: dat soort idioten zijn alleen in Amerika. We waren iets te optimistisch: social media stond al snel vol van mensen die alles beter wisten, de experts belachelijk maakten en hun eigen mening als betere analyse voorstelden.

Dit triggerde wel vragen: onze dochter vertelde hoe goed Zuid-Korea het virus onder controle had door razendsnel en massaal te testen. Wij werden daardoor kritischer op de Nederlandse aanpak: waarom kwamen er geen testen? Waarom duurde het zo lang voordat we echt begrepen hoe het virus werkte? Hoe kon het dat we te weinig IC-bedden hadden, maar Duitsland zoveel? Hoe was het mogelijk dat wij als welvarend land te weinig beademingsapparatuur hadden?

 

De ideeën van anderen dan de overheid waren in het begin prettig. Zo was er een opiniepeiler, die eerst rustig vertelde dat hij data en analyse beter deed dan overheidsmensen. Dat was herkenbaar: de overheid blinkt en blonk niet hierin uit. Ook kwam de peiler door met geloofwaardige data, stellingen en al snel met zijn eigen analyses op zijn website.

Zeker in het begin smachten we naar meer info en duidelijkheid – en hij leek die te leveren. Maar al snel werd hij van een enthousiaste amateur die wilde helpen, tot een eigenwijze, zelfvoldane goeroe. En hij was nog de meest mentaal stabiele persoon die opstond: er kwamen schreeuwerige ontkenners, bizarre figuren die alleen in crisistijd de spotlight kregen en malloten.

Vrienden, familie en kennissen wisselden via whatsapp, mail en Zoom nieuws en analyses uit. Vaak een herhaling wat we zelf al wisten, regelmatig nepnieuws (zeker in het begin). Elke dag schuifelden we verder met weer een kruimel nieuwe informatie en inzichten.

Ik hield mij vast aan de wetenschap en hield de data bij van zieken, patiënten en overledenen.

Onze kinderen gingen elke dag dapper achter hun scherm voor les of college. Net als hun ouders. Het was in die tijd vreemd door je huis te lopen: achter alle gesloten deuren hoorde je de stemmen van leraren, docenten, vriendjes of collega’s.

Voor digerati was zo werken niet zo nieuw, maar nu moest de hele maatschappij ineens over naar onze tools, onze manier van werken en spreken. De digitalisering werd ineens 5 jaar vooruit in de tijd geduwd. Of door de strot geduwd. Crisis en innovatie, een duivels paar.

Dus Nederland ging massaal thuis werken. Alles waar veel mensen bij elkaar kwamen, werd gestopt. Sporten, conferenties, events, wedstrijden, bezoek bij familie of vrienden, begrafenissen, feesten en partijen. Weinig files, bijna geen vliegverkeer.

Gelukkig werden bedrijven creatief: restaurants gingen over naar “bestelling-to-go”, iedereen had ineens een website waar je op kon bestellen. Maar veel bedrijven moesten de deuren sluiten. Daar stond een massaal vergoedingenpakket van de overheid tegenover. Maar de vraag is hoe lang dit goed kan blijven gaan.

Nu het vloerkleed officieel onder ons uit was getrokken, krabbelden we langzaam op en keken verward rond: alle aspecten van ons leven was nu anders: zwaar zieke vrienden, oude familieleden die we alleen op afstand konden spreken, vrienden die zich vervreemden door er bizarre gedachten er op na te houden. Waar ging dit heen?

 

En toen kwam de lente en daarna de zomer.

Er was meer mogelijk, het werd warmer, we kwamen meer naar buiten. Lekker weer ontspant altijd. Vakantie was mogelijk, maar liefst niet te ver weg. Wij hielden het op Zeeland.

Maar in September begon het weer – zoals ook al was voorspeld. Ook nu werd de overheid weer verrast en had de gunstige zomerperiode niet alle  problemen opgelost. Daar gingen we weer: strengere maatregelen, meer zieken, meer IC-problemen. We wenden er snel aan. De wens om dit onder controle te krijgen had de overhand.

Maar hoe heftiger de maatregelen, des te groter de tegenbeweging. (nooit meer dan misschien 10% van de mensen, maar het nieuws vergrootte dit aandeel aanzienlijk).

En toen kwam begin November. Binnen een paar dagen kwamen er 2 wonderen: president T. werd verslagen door Biden. En direct daarna het onverwachte nieuws: er was een vaccin! Eindelijk een echte oplossing. En toen niet één, maar twee – toen drie en vier! De hoop steeg  – er zou echt een einde kunnen komen aan deze tijd.

Maar eerst kwam Kerst. Zonder veel familie, maar mét onze kinderen. Nieuwjaar was zonder vuurwerk en plofte dus gewoon op de mat. En weer steeg het aantal zieken. Én nieuwe, nog vervelender varianten van het virus. We kregen zelfs een avondklok. En verplichte mondkapjes.

Net toen het begin van het jaar wel heel grauw en saai werd, bezorgde Februari een flink pak sneeuw en kou. En ijs! Prachtige beelden en Nederland was weer terug in de middeleeuwen. We gingen massaal op de schaats. Het was van korte duur, maar het gaf even broodnodige ontspanning.

En nu zitten we aan het begin van de lente. Kids mogen deels weer naar de middelbare school, opa’s zijn gevaccineerd. Elk uur extra zon doodt meer virus en geeft hoop op betere tijden. De verwachting is dat heel Nederland eind Juli toch wel gevaccineerd is. Wat ook geldt voor de rest van Europa.

Nu is het weer opvallend om te zien hoe weinig mensen vooruit kunnen (of durven?) kijken. “Covid zal altijd bij ons blijven”, klinkt het dan. Ja, laat het gerust plaatsnemen op de bank naast Ebola en de builenpest. Maar zo’n bedreiging als begin 2020 is het allang niet meer.

We hebben blijkbaar visuele bevestiging nodig, voordat we iets écht geloven. Dus zitten we met onze adem ingehouden in ons hol te wachten op onze beurt voor het vaccin. Om dan waarschijnlijk heel snel deze periode achter ons te laten. En te vergeten.

 

De race is bijna gelopen. Alleen nog een amechtig interview en daarna alles onder de douche van je afspoelen.

 

Alsof er niets door je heen gegaan was.

The future of a different Internet

Kitchentable for a different Internet

Two weeks ago a group of people gathered at my kitchen table to talk about a different Internet. The reason for this were the various scandals in which sites and apps misused the privacy of people.

The group consisted of doers and thinkers: a software developer, a marketer, bloggers, a composer, open data consultant, Indieweb advocate, hacker / security professional, blockchain developer. Because of this diversity, we exchanged interesting knowledge and insights.

This is a short summary of this conversation:

How did we get here?

We talked about history of the Internet: much of the abuse we are talking about already existed before the arrival of sites like Facebook. And not Trump, but Obama found out that you could use Facebook to get detailed user and voting data.

The internet used to be special, partly because it was organized in a decentralized manner – and that has now become a hyper central organization. Before Facebook and others were popular, there were many different voices, via sites, forums and blogs – but most of them have now fallen silent. The central model of sites like Facebook seems to have won.

Is there an alternative to the central data collection model?

The majority of people enjoy the central clubhouse (Facebook, Instagram, Twitter, Pinterest, Whatsapp, Tumblr) – and rightly so: thanks to smooth design, good usability, great free functionality and psychological insights, it is a pleasant environment. Everything is safe and well cared for. And all your friends and acquaintances are there. It will be difficult to get people out.

How did this happen? By the tendency of capitalism, the business model, by the vision and personality of Zuckerberg?

We do not believe in “killer-alternatives” for Facebook and others. We see many alternatives that are good and probably can serve a special niche. For “nerds” it is not that difficult to make Indieweb / decentral / federated sites. But for normal people making a simple WordPress site is still too difficult.

We now tend online to a “winner-takes-all”-situation – so there is almost no competition. Or does this only seem to be and is the “central model” diluting? Facebook had to buy Whatsapp and Instagram because people were moving elsewhere. At the same time, the old competitors still exist and new have sprung up: Twitter, Pinterest, LinkedIn, Weibo, Wechat.

We found out that Facebook is now in the spotlight, but there are many more places where big data are collected that we do not like: Google, Twitter, LinkedIn, AirBnB, Uber, Amazon, Snapchat, but also train companies, municipalities and banks (who follows?). Giving control of the data to government is almost more dangerous than giving it to Facebook and Google – you give an already existing central service enormous power.

Objection to sites and apps as data silos

These sites have created silos, an alternative internet. Inside and outside this space they capture and manipulate our big data. This goes far beyond “just” the use of data that we have issued ourselves: it is also metadata, data about our behaviour, data that we are not aware of. Let alone that we have given permission for its use. We do not like that.

There is a big difference between data that you leave behind and data of your behavior that these sites build up. Online advertising shows what is being tracked: you can select people on the basis of their political preferences, sexual preference, etc. There are 56,000 characteristics. You get access to (very) sensitive information. Info you won’t get to see as a user.

Now we find out: that data is a wonderful tool, but that it can also be a dangerous weapon. Combine a number of innocent data types and the result can be explosive. And until recently we have left that in the hands of other people. And we are not aware of it. The mere fact that 2 billion people have given this weapon in the hands of a small group of parties is dangerous.

Striking: these tools used by these organizations to use (big) data are readily available, but it seems that few organizations have them – let alone use them well. But it is only a matter of time before this becomes available for many more organizations.

How we take back control of our Internet

Determine (parts of you) Identity / Privacy yourself

We want to determine ourselves which information can be used. To whom, when and in what situation. You can do that via other infrastructure, changed awareness of citizens and legislation. Marleen Stikker of the Waag Society mentioned in an interview the App Irma. This app allows you to give only a specific part of your information – instead of uploading your entire computer in one go. Another Waag project is the European Decode Project .

Regulation

The GDPR aims to give control of private data to citizens in the EU. Now, after the 25th of May, it will be possible for every citizen to request what private data a company has, to change or destroy it. If this is properly controlled and sanctioned, there’s hope.

Privacy by design

Society must get a different view of privacy. This is just the beginning of a development: we are talking about a change of identity, privacy in infrastructure, algorithms used, legal, social, etc. And who for instance manages this infrastructure? Trust is good; control is better! Building control will take a lot of time.

Troll the system

You can frustrate data-gathering: by paying in cash, using different phones, buying paper tickets. Use tools and plugins that encrypt your information, making you “invisible” on the web. Or plugins that click on all ads of a site indiscriminately. Or even going completely “data-nude” to some countries: you leave your standard devices at home, buy others and travel elsewhere. In this way you do not show anything of the data that you have built up at home.

Opening up of FaceBook and others

It would be nice if FB and other sites would become more open to third parties – making it easier for you to use information in other places and get it from sites. (but this is probably a utopia)

Project VRM

Another option is the Project VRM from Doc Searls in Harvard: which strives for ownership of your own data. That you decide where and how and what is done with it.

Alternatives to the well-known sites and social networks

Another option is to use alternative apps: there are enough good ones in the market that work well for particular niches. And there are good examples of apps that work well, but are not centrally organized. Think of email – as decentralized as they get.
Disadvantage of decentralisation: who makes a search engine, so that you can easily find people across all those different apps? (e.g. email addresses).

If you choose such an alternative, you will have to accept a period of less comfort: not everyone will be there immediately, but oh well: at the beginning of the internet we were also alone on sites, which are now mega. We can survive this a second time around. (And let’s be honest: sometimes it’s nice not to show all your conversations to your whole family) 😉

Pay for what you really value

If a site / app is paid, you prevent a company from using your data for its business model: it will continue to exist and make a profit, because you pay for it. When they still end up selling your data, you can hold them liable.
An example of a paid option is Signal , which has a fremium model: partly free, but who wants more can pay for it – making the business model continue to work.

Raise awareness

It is good to change people’s perspective on privacy: that it is not okay to follow people’s data “because it is possible”. Exceptions to this rule must be made clear. And the people that have this authority must be clearly defined. And in turn well controlled.

We need an awareness campaign to achieve this. (Or a major accident) and good alternatives if people want to leave the data silos.

Conclusion

It was a special evening with very special people. We have covered a large area in the discussion and made good use of each other’s knowledge and experience.

Soon we will get together again – because this conversation will continue – at this Table and hopefully more and more other Kitchen Tables.