Aandachtspunten bij inzet AR

De laatste 5 jaar is de inzet van Augmented Reality, of AR, in een stroomversnelling gekomen: door diverse headsets en AR-brillen ((Google Glass, etc) en vooral door toepassing op smartphones.: Pokemon Go was een hoogtepunt, dat een kleine rage veroorzaakte. Snapchat liet zien dat iedereen er vreemd en koddig eruit kan zien met een AR-filter.

En toen kwam het Corona-virus en groeide de behoefte sterk om de fysieke werkelijkheid zo dicht mogelijk te benaderen – een nieuwe groeispurt volgde.

Een paar maanden geleden heb ik dit voor een klant onderzocht, waardoor ik mijn kennis heb ververst. Een kort overzicht:

Management summary AR:

Augmented Reality in industrie
bron: Twnkls en Digital Wednesday

Bedenk dit bij inzet van AR

Voor deze update doe ik een shout out aan de (technische) mannen van Kaliber.net, die ik met vragen heb bestookt. 

AR-applicaties laten je een beeld zien, die op een logische manier “aanwezig is” in een ruimte. Om dit te doen heeft AR houvast nodig, zodat het weet: okay, dit is de vrije ruimte hier – daar staat een muur, daar is de grond en daar het plafond. Het toneel is dan opgezet, de show kan beginnen.

Om dit mogelijk te maken hadden AR-applicaties tot voor 3 jaar geleden altijd een marker nodig (denk QR-code). Een recentere oplossing is de gebruiker te vragen de camera van haar smartphone heen en weer te bewegen in de ruimte. Daaraan kan de applicatie vaststellen wat de ruimte is waarin het wordt gebruikt en welke belangrijke punten daarin zijn.

De smartphone ziet licht dat afkaatst van voorwerpen. En interpreteert hiermee diepte. Hoe rustiger het beeld is wat binnenkomt, des te makkelijker is dit om te doen.

Concreet: een kamer binnen is makkelijker dan een ruimte buiten. Waarom? Binnen is het constant licht en de omstandigheden meer constant. Zonlicht varieert door wolken, takken en ander zaken die het onderbreken. Dit zorgt ervoor dat de AR dit moet verwerken. Met de kans dat dit te lang duurt of zelfs niet werkt.

Een andere moeilijkheid is als er veel mensen, dieren of voorwerpen door het beeld heen lopen. Dat bemoeilijkt het ook.

Toepasbaarheid smartphones

De nieuwste smartphones hebben extra hardware en software (Google en Apple), waardoor AR apps makkelijker werken. Deze hebben natuurlijk hun eigen standaard, libraries en dergelijke. En natuurlijk zijn ze niet compatibel met elkaar.

De andere merken smartphones (Huawei en meer) hebben of Android, of hun eigen standaard. Gezien hun marktaandeel niet de moeite waard in Nederland om te ontwikkelen. De situatie in Duitsland, Engeland, Frankrijk en Belgie ken ik niet. Amerika, China al helemaal niet.

Verder moet je volgens de techneuten altijd een aparte app ontwikkelen. Web apps kunnen dit nog niet goed aan.

Laden van data

Ook nog om rekening mee te houden: de App voor IKEA Place is 210 Megabyte groot. Angry Birds AR 149 MB groot. Minecraft Eerth is 379MB groot. Kortom: voor (binnen-) omgevingen met stevige Wifi geen probleem. Als je een AR buiten wil downloaden via 4G, zal het voor veel mensen een keuze worden of ze al dan niet willen downloaden. Via 3G is het niet mogelijk.

Kosten/complexiteit

De regel is: hoe meer features, des te complexer, des te langer om te maken en des te duurder. Zoals bij alle software.

Voorbeeld: in een park staat een stenen dinosaurus. Met je AR App een bordje scannen waardoor je meer informatie krijgt over deze dino, is eenvoudig. Diverse skins/lagen op de dinosaurus leggen, betekent al meer features. De dino laten bewegen nog meer. Een game doen met de dinosaurus & beweging is nog ingewikkelder.

Twnkls vertelde bij Digital Wednesday (hierboven) dat je voor de ontwikkeling en inzet van een augmented reality -app moet denken aan een prijs vanaf 50.000 euro. Voor B2C-apps is het vele malen goedkoper. Ook omdat hiervoor al libraries/sjablonen zijn aangelegd.

AR en verwachtingen van consumenten

Een game via AR wekt verwachtingen bij de gebruikers – de interactie moet makkelijk en snel. Een simpel bordje bij de dino dat rustig op en neer zweeft, wekt veel minder verwachtingen. Als een karakter in een game niet zichtbaar is op de plaats waar hij moet zijn,  of zich onnatuurlijk gedraagt (de dino zweeft voor een deel door een muur heen) dan zal je gebruiker sneller teleurgesteld zijn en waarschijnlijk de game niet afmaken. Waardoor het doel van het spel zijn uitwerking mist.

Kortom

Ja, AR is zich snel aan het ontwikkelen en gelukkig komen er steeds meer applicaties op de markt. Daardoor groeit de kennis en ervaring. Verder investeren grote partijen erin, dus blijft dit nog een tijd groeien.

Maar het is nog niet zover dat elk interactief bureau dit even in elkaar zet. Het is de fase nog niet ontgroeid, waarbij de techniek geen probleem meer is. Loop niet te makkelijk mee met het enthousiasme en bedenk goed wanneer het een relevante toevoeging biedt voor je bedrijf.

Hou wel stevig de vinger aan de pols: de potentie is groot.

De herontdekking van toeval

Dankzij Corona komen we er nu achter dat “werk” niet zo simpel is, als we altijd geloofden. Dat leek het eerst wel te zijn: okay, ik kan niet naar mijn werk komen, dus spreken we af via videocalls. En zo werd het allemaal opgelost.

De onbewuste facetten van werk

Maar toch niet helemaal: we komen erachter hoeveel we meer bewogen, zonder dat we er erg in hadden. En hoe rijk communicatie was, als je elkaar in levende lijve ziet: blijkbaar was het dan toch waar – dat meer dan 80% van de communciatie niet-verbaal is.

Maar vooral, hoeveel van ons leven aan elkaar hing van toevalligheden:
je kwam mensen ongepland tegen bij het koffieapparaat, je zag elkaar bij de lunch, er kwam een nieuw iemand binnen (stagiair, medewerker, freelance, externe, etc). En al die mensen hadden verhalen over de wereld. Die je verveelden, deden nadenken of inspireerden – om andere dingen te gaan doen. (of ander werk zoeken, bijvoorbeeld).

Of je ging naar een andere plek. Met andere kleuren, geuren, verhalen. Nog niet zo lang geleden klaagden we erover hoeveel marketing-berichten we kregen op een dag. (waarbij voor mij het toppunt nog steeds de promoties zijn náást/boven de pisbakken van de heren-WC’s).

Of er gebeurde iets anders onverwachts: de lift die stilstond, elektriciteit viel uit, iets ging kapot (printer, wifi, website, vul in) en op die centrale plek zag je meer dan alleen resultaten uit werk: oproepen om met elkaar te gaan hardrennen, squashen, borrelen, afscheid nemen van een collega, jubilea vieren (verjaardag, baby, huwelijk, etc).

Er bleken veel meer kanten aan mensen te zitten, die spontaan naar buiten kwamen: het gedicht voor de jubilaris, de kookkunsten van je collega, het tweede leven van de bewaker, het bedrijf-on-the-side van de receptioniste, etc, etc.

En al deze niet-geplande toevalligheden hebben een impact op ons leven – positief en niet zo positief. En dit is nu voor een groot deel weg.

Dat is aan de ene kant soms hééééééééérlijk rustig – als je iets moet uitwerken of stilte nodig hebt. Of als je een introvert bent, of een hekel hebt aan kletsende collega’s, geuren van een ander of promoties in het algemeen. Aan de andere kant verbond het ons veel meer met de rest van de maatschappij, gaf het ons inspiratie en was ons leven kleurrijker.

Toeval online organiseren

Als je daar wat aan wil doen, dan moet je er over nadenken, je gedrag en dat van anderen veranderen: op allerlei manieren het toeval terugbrengen.

Je ziet dit nu ook terugkomen in apps:
In Clubhouse luister en spreek je met een aantal onbekenden in een virtuele ruimte en behalve het onderwerp weet je niet wat je gaat horen/meemaken. (ze beschrijven het mooi: Clubhouse is “Drop-in Chat”).

Wonder.me bied je een ruimte zoals een congres of kantoor, waar je mensen kan ontmoeten rond diverse statafels. Pas als je bij een tafel staat, hoor je het gesprek en kan je er aan deelnemen. Waardoor de fysieke werkelijkheid redelijk benaderd wordt. Wonder.me

Universiteiten realiseren zich ook dat studenten meer binding nodig hebben. Dus hebben TU Delft en de Erasmus universiteit  hun campus vrijwel volledig nagebouwd in….Minecraft. (okay, dat had je kunnen verwachten van Delft, toch?). VU Amsterdam en Leiden hebben een virtuele rondgang door hun stad en campus.

Webinars zijn natuurlijk geëxplodeerd. Zo veel zelfs, dat we er al flink genoeg van hebben. Innovatie is hier dringend nodig. Er komt nu een vloedgolf aan van nieuwe producten om virtuele events leuker te maken.

Het begint

Maar zoals vaker met nieuwe dingen: het begint met bewustwording. In de offline (en ook online) wereld liggen er nu meer dan genoeg middelen om je leven weer leuker met meer toeval te maken.

We komen er wel.

Toen werk gewoon was

Vroeger – toen werk naast je huis lag

Daar werkte je, net als je vader, je moeder en de rest van de familie. O, opa en oma en tantes en ooms ook. Iedereen kende elkaar. Het was niet echt duidelijk waar werk begon en privé eindigde – of andersom. Werk was net zo’n hoeksteen van het leven als verjaardagspartijen en kerstdiners.

Later – Ging je naar je werk

Met de auto of de trein of de fiets, als je mazzel had. Je ouders waren nog nooit op je werk geweest – eigenlijk niemand van je familie. En dat was goed: kantoor en een pak was voor werk, thuisgekomen deed je andere kleren aan. Dat was duidelijk. Hoewel je wel steeds vaker ‘s avonds na het eten je laptop opensloeg.
Je kent de mensen van je afdeling, maar niet echt goed: er is meestal maar een dun wandje voor nodig om niet meer te weten wie die mensen zijn. Werk was wel belangrijk: je verdiende je geld ermee, zodat je leuke dingen kon doen na het werk.

Nu – mag je niet meer naar kantoor

Ook word je vriendelijk verzocht om je ouders (als ze nog leven) maar niet meer te bezoeken – of hooguit met één persoon tegelijk. Je maakt je daarom steeds meer zorgen over hen en belt ze vaker, schrijft ze een brief of Facetimet ze. Je kinderen weten niet meer of je er bent als privé persoon of iemand aan het werk.
Ja, werk is belangrijk – het is fijn dat je het nog hebt. Maar je hoopt dat het meer kan gaan zijn dan alleen een bron van inkomsten. Je verlangt ook weer en meer contact met je collega’s. Waarom begrijp je niet helemaal, maar alles is beter dan helemaal niemand meer zien, behalve aan de andere kant van het scherm in een van de vele, vierkante blokjes.

Straks – ben je er weer

Maar je weet niet meer hoe vaak je naar kantoor toe wil. Je gaat liever op bezoek bij je ouders, vrienden en kennissen. Je baas geeft duidelijke hints over 100% terugkeer, maar je hebt al online gesolliciteerd bij een nieuw bedrijf, dat teamuitjes en jouw plezier in je werk bijna net zo belangrijk vindt als de resultaten die je behaalt. Het vooruitzicht om bij de wekelijkse borrel met je collega’s te zijn, trekt je. Thuis heb je alle aandacht voor je gezin en familie.

Vertel wat er nu door je heen gaat

Je ziet het voor je: topsporter hijgt zijn laatste ingewanden uit zijn lijf en probeert, handen steunend op zijn knieën, de reporter een antwoord te geven op zijn vraag:”wat gaat er door je heen?”.
De woorden lijken uit het luchtledige te komen: af en toe vinden de hersens zuurstof om wat coherents uit te stoten.

Zo voelt het ook op dit moment, in Corona-tijd.

Dat is vreemd om te zeggen, nu we er nog middenin zitten. Maar al over een half jaar en later gaan we die vraag stellen: hoe was het om in die tijd te leven? En als we het onszelf niet stellen, doen anderen het voor ons: kids, vrienden, kleinkinderen.

Heb je er niet over nagedacht, dan stoot je dezelfde weinigzeggende woorden uit als de topsporter: Ja, we hebben de race gelopen. Het was, wat het was. Wíj́ hielden ons aan de regels. We zaten veel binnen en keken teveel naar schermen. We gingen niet naar onze opa’s.

Dat was het wel zo’n beetje.

Maar hoe was het nu wérkelijk? Daarom is het goed om dit nu te schrijven en nog middenin de beleving uit te drukken hoe het werkelijk is/was.

 

Bij het lezen van dit verhaal moet je je voorstellen dat je de hele tijd kiespijn hebt. Soms pijnlijk en aanwezig, dan weer bijna vergeten op de achtergond. Op dezelfde manier speelde onzekerheid een continue rol tijdens Corona. Eerst omdat we de ziekte niet kenden en alles onbekend was. Daarna wat dit voor ons ging betekenen en weer later hoe onze toekomst en die van onze kids zou zijn. Het zorgde voor lange tafelgesprekken, gefluisterde gesprekken ‘s avonds in bed en vrat energie.

 

Het begon als de spreekwoordelijke kikker in een opwarmende pan water: begin Maart 2002 werden we er collectief mee geconfronteerd. We zagen wat aankomen, we werden gewaarschuwd. Maar zo erg zou het niet zijn – het was alleen in China, zoals wel vaker. Het begon over te slaan in Azie, dat hadden we ook al eerder gezien. Onze dochter in Zuid-Korea spraken we hier veel over. Dat was dichterbij China, dus was elke nieuwe ontwikkeling reden om haar daar weg te halen. Maar toen kwam Italië en toen Nederland en jawel: in Hilversum…het virus was geland.

Nog steeds was het onzichtbaar, maar de maatregelen werden concreet: afstand houden, geen handen geven en vaak wassen. Het te groot inslaan van supermarkt-spullen begon. Geen zeep of WC-papier meer te krijgen.

Een ernstige premier die ons toesprak bekeken we met het hele gezin. Het moment voelde zwaar: een symbolische en historische toespraak. Nieuwe maatregelen zoals zoveel mogelijk thuiswerken. Maar ook: gelukkig luisterde de regering naar wetenschappers, dus we waren in goede handen.

Wetenschappers waren de onbezongen helden van deze tijd. Ze kregen flink de wind van voren, maar hielden de koers. Hoe heftig anderen hiertegen in gingen. Voorop hierbij liep natuurlijk President T, die alles ontkende en kleineerde. Gelukkig, dachten we: dat soort idioten zijn alleen in Amerika. We waren iets te optimistisch: social media stond al snel vol van mensen die alles beter wisten, de experts belachelijk maakten en hun eigen mening als betere analyse voorstelden.

Dit triggerde wel vragen: onze dochter vertelde hoe goed Zuid-Korea het virus onder controle had door razendsnel en massaal te testen. Wij werden daardoor kritischer op de Nederlandse aanpak: waarom kwamen er geen testen? Waarom duurde het zo lang voordat we echt begrepen hoe het virus werkte? Hoe kon het dat we te weinig IC-bedden hadden, maar Duitsland zoveel? Hoe was het mogelijk dat wij als welvarend land te weinig beademingsapparatuur hadden?

 

De ideeën van anderen dan de overheid waren in het begin prettig. Zo was er een opiniepeiler, die eerst rustig vertelde dat hij data en analyse beter deed dan overheidsmensen. Dat was herkenbaar: de overheid blinkt en blonk niet hierin uit. Ook kwam de peiler door met geloofwaardige data, stellingen en al snel met zijn eigen analyses op zijn website.

Zeker in het begin smachten we naar meer info en duidelijkheid – en hij leek die te leveren. Maar al snel werd hij van een enthousiaste amateur die wilde helpen, tot een eigenwijze, zelfvoldane goeroe. En hij was nog de meest mentaal stabiele persoon die opstond: er kwamen schreeuwerige ontkenners, bizarre figuren die alleen in crisistijd de spotlight kregen en malloten.

Vrienden, familie en kennissen wisselden via whatsapp, mail en Zoom nieuws en analyses uit. Vaak een herhaling wat we zelf al wisten, regelmatig nepnieuws (zeker in het begin). Elke dag schuifelden we verder met weer een kruimel nieuwe informatie en inzichten.

Ik hield mij vast aan de wetenschap en hield de data bij van zieken, patiënten en overledenen.

Onze kinderen gingen elke dag dapper achter hun scherm voor les of college. Net als hun ouders. Het was in die tijd vreemd door je huis te lopen: achter alle gesloten deuren hoorde je de stemmen van leraren, docenten, vriendjes of collega’s.

Voor digerati was zo werken niet zo nieuw, maar nu moest de hele maatschappij ineens over naar onze tools, onze manier van werken en spreken. De digitalisering werd ineens 5 jaar vooruit in de tijd geduwd. Of door de strot geduwd. Crisis en innovatie, een duivels paar.

Dus Nederland ging massaal thuis werken. Alles waar veel mensen bij elkaar kwamen, werd gestopt. Sporten, conferenties, events, wedstrijden, bezoek bij familie of vrienden, begrafenissen, feesten en partijen. Weinig files, bijna geen vliegverkeer.

Gelukkig werden bedrijven creatief: restaurants gingen over naar “bestelling-to-go”, iedereen had ineens een website waar je op kon bestellen. Maar veel bedrijven moesten de deuren sluiten. Daar stond een massaal vergoedingenpakket van de overheid tegenover. Maar de vraag is hoe lang dit goed kan blijven gaan.

Nu het vloerkleed officieel onder ons uit was getrokken, krabbelden we langzaam op en keken verward rond: alle aspecten van ons leven was nu anders: zwaar zieke vrienden, oude familieleden die we alleen op afstand konden spreken, vrienden die zich vervreemden door er bizarre gedachten er op na te houden. Waar ging dit heen?

 

En toen kwam de lente en daarna de zomer.

Er was meer mogelijk, het werd warmer, we kwamen meer naar buiten. Lekker weer ontspant altijd. Vakantie was mogelijk, maar liefst niet te ver weg. Wij hielden het op Zeeland.

Maar in September begon het weer – zoals ook al was voorspeld. Ook nu werd de overheid weer verrast en had de gunstige zomerperiode niet alle  problemen opgelost. Daar gingen we weer: strengere maatregelen, meer zieken, meer IC-problemen. We wenden er snel aan. De wens om dit onder controle te krijgen had de overhand.

Maar hoe heftiger de maatregelen, des te groter de tegenbeweging. (nooit meer dan misschien 10% van de mensen, maar het nieuws vergrootte dit aandeel aanzienlijk).

En toen kwam begin November. Binnen een paar dagen kwamen er 2 wonderen: president T. werd verslagen door Biden. En direct daarna het onverwachte nieuws: er was een vaccin! Eindelijk een echte oplossing. En toen niet één, maar twee – toen drie en vier! De hoop steeg  – er zou echt een einde kunnen komen aan deze tijd.

Maar eerst kwam Kerst. Zonder veel familie, maar mét onze kinderen. Nieuwjaar was zonder vuurwerk en plofte dus gewoon op de mat. En weer steeg het aantal zieken. Én nieuwe, nog vervelender varianten van het virus. We kregen zelfs een avondklok. En verplichte mondkapjes.

Net toen het begin van het jaar wel heel grauw en saai werd, bezorgde Februari een flink pak sneeuw en kou. En ijs! Prachtige beelden en Nederland was weer terug in de middeleeuwen. We gingen massaal op de schaats. Het was van korte duur, maar het gaf even broodnodige ontspanning.

En nu zitten we aan het begin van de lente. Kids mogen deels weer naar de middelbare school, opa’s zijn gevaccineerd. Elk uur extra zon doodt meer virus en geeft hoop op betere tijden. De verwachting is dat heel Nederland eind Juli toch wel gevaccineerd is. Wat ook geldt voor de rest van Europa.

Nu is het weer opvallend om te zien hoe weinig mensen vooruit kunnen (of durven?) kijken. “Covid zal altijd bij ons blijven”, klinkt het dan. Ja, laat het gerust plaatsnemen op de bank naast Ebola en de builenpest. Maar zo’n bedreiging als begin 2020 is het allang niet meer.

We hebben blijkbaar visuele bevestiging nodig, voordat we iets écht geloven. Dus zitten we met onze adem ingehouden in ons hol te wachten op onze beurt voor het vaccin. Om dan waarschijnlijk heel snel deze periode achter ons te laten. En te vergeten.

 

De race is bijna gelopen. Alleen nog een amechtig interview en daarna alles onder de douche van je afspoelen.

 

Alsof er niets door je heen gegaan was.